Een binnenkant geknutseld

Financieel-Economische Tijd 21 Apr 2001Dutch

item doc

Zo’n twee maanden geleden ging ‘Scratching the Inner Fields’, de nieuwste productie van Wim Vandekeybus en zijn gezelschap Ultima Vez, in Parijs in première, afgelopen week was ze op uitnodiging van het Festival van Vlaanderen voor het eerst bij ons te zien. Met een uitsluitend vrouwelijke cast van vijf danseressen en twee actrices gaat Vandekeybus aan de slag met de sprookjeswereld uit Peter Verhelsts roman ‘Zwellend Fruit’, ondersteund door een soundtrack van Eavesdropper. Verrassend sobere beelden verlenen zichtbaarheid aan allerhande duistere krachten die vrouwenlichamen drijven. Ondanks die eenvoud is ‘Scratching the Inner Fields’ ook erg wisselvallig van kwaliteit, het mist geregeld spanning en trefzekerheid.

Het eerder beperkte speelvlak is nagenoeg leeg en duister op een helwitte lichtvlek na. Als de danseressen een voor een opkomen doen ze dat bijzonder stil, traag, afwachtend, nemen hun tijd om de potentie van de ruimte te laten groeien. Onder de spot bekijkt een danseres haar voeten: de eerste stap van een zoektocht, in de desolate ruimte ontbreken verder alle leessleutels. Dat zal zo blijven, de beeldende teksten van Peter Verhelst worden elders in de voorstelling slechts schaars uitgesproken, ze zijn als het ware verinwendigd: groteske transformaties van wat vrouwen zoal kunnen zijn, wat hen drijft, of wat daar zoal over gezegd wordt. Die rol van de taal, van spreken en lezen, krijgt in ‘Scratching the Inner Fields’ een wending, slechts in de slotzin geëxpliciteerd: ‘Je hebt vingers en een tong./ Meer heb je niet nodig om me te kunnen lezen.’ Het duistere universum vraagt dan ook niet om gelezen of begrepen te worden, zijn dynamiek komt van elders.

Zo is ook het verloop opgevat: er ontstaat plots beweging als er netjes uit de hemel komen gevallen. Voor een lamp gespannen blijken het buikvliezen, letterlijk dat wat onze binnenkant samenhoudt. De danseressen duiken de vallende vliezen na, agressief of net speels, verkennend of stoeiend, traag of snel. Eenvoudige maar expressieve bewegingen, waarin elke danseres haar eigen taal kan uitwerken, haar innerlijk verbeelden. Dat alles wordt opengewerkt tot een groepschoreografie die divers is qua schriftuur, van virtuoze en verfijnde martiale bewegingen tot brute fysieke expressie. Vandekeybus doet dat slim: geen revue van solo’s, eerder een accumulatie van gebeurtenissen zonder regelmaat, die nu eens de vorm van een cluster aanneemt, dan weer een open ruimte laat spreken. Het kluwen vormt als het ware één lichaam, waarin langzaamaan de groteske fantasieën van Verhelst in doorsijpelen.

Dit geheel is ondenkbaar zonder de soundtrack van Eavesdropper (Yves De Mey), die verbluffend is in zijn functionaliteit. Een soundscape onderstreept in zijn abstractie en suggestiviteit heel wat beelden, en bemiddelt in de danspassages: versterkt deze door verdubbeling, of creëert net verwachtingspatronen. Meer dan die traceerbare banden heeft de muziek een omvattende sfeer die zorgt voor een sterk ruimtelijk gevoel. En precies daardoor kan de dans aandacht vragen voor allerhande kleine details die anders te klein of onbeduidend zouden zijn, de muziek laat toe de focus te verleggen. Een meer opzichtige handeling is bijvoorbeeld het spel van een danseres met het foedraal dat rond haar zilveren hand zit: eens het doosje geopend vliegt die met een rotvaart doorheen de ruimte. Maar eender welke aanraking, een object dat verplaatst wordt, een versterkte zucht of hartklopping: talrijke details kleuren het eertijds grauwe landschap, maken het tastbaar, leesbaar voor lichamen.

Net als je je verbaast over de soberheid die Vandeybus hanteert, haalt de man een overdaad aan gimmicks boven, waarna de magie jammerlijk keert. Ze zijn soms spitsvondig, soms al te bekend: een al te hevig onweer, een truc met zakken zand,… enige dosering en integratie in het geheel is ver te zoeken. De performers maken plots ook volop gebruik van tekst, waardoor het stuk naast richting ook nog tempo en scherpte verliest en ontaardt in een zootje. Slechts één van de ingrepen trekt nog een spoor: als er tientallen stokken onder luid gedaver naar beneden komen wordt de scène ineens hertekend in een nieuw landschap. Daarin danst Iona Kewney met een kronkelend lijf een hoogst idiosyncratisch parcours en smeedt zo een band tussen haar eigen kracht als performer en de visuele omkadering.

In de slotchoreografie verraadt ‘Scratching the Inner Fields’ echter helemaal zichzelf: nu muziek, decor, tekst en dans niet meer samenklitten rest er werkelijk niets. Wat eerst ontegenzeglijk een sterk ruimtelijke kwaliteit had waarin details konden floreren, blijkt plots zonder diepte. Wat eerst eenvoud leek, blijkt uiteindelijk al te eenvoudig: de hele constructie is ineens al te labiel omdat de samenstellende delen op zich betekenisloos zijn. Dat is jammer, want met functionele muziek zonder functie koop je niets, de performers blijken niet sterk genoeg om op eigen kracht het schip recht te houden, en de naakte choreografie heeft uiteindelijk ook niets om het lijf. Vandeybus is weliswaar altijd meer een regisseur en beeldenmaker geweest dan een choreograaf, maar dit is niets anders dan geknutsel.

Kunnen we dan nog enthousiast zijn over ‘Scratching the Inner Fields’? En waarom deed de internationale pers er zo wild over? De voorstelling mag dan al met voorsprong het beste zijn wat Vandekeybus de laatste jaren afleverde, voor iemand met zijn naam, faam en ervaring is het toch een al te mager beestje. Dat zijn werk al lang niet meer vernieuwend is en eerder entertainment, tot daar aan toe, maar kwaliteit zouden we van hem toch mogen verwachten. En om dan te bedenken dat de wisselvalligheid van ‘Scratching the Inner Fields’ niet eens voortkomt uit een artistiek risico: dat is huilen met de pet op.