Lichamen in de strijd

Financieel-Economische Tijd 6 Dec 2000Dutch

item doc

‘Het lichaam in de strijd werpen’, zo noemt Raimund Hoghe met Pier Paolo Pasolini een klein festival dat hij samenstelde voor Klapstuk. Het gepresenteerde werk vertoont affiniteit met dat van Hoghe, al is het nog maar de vraag of het lichaam erin centraal staat. Veeleer duikt het her en der op, knoopt het aan bij een artistieke of maatschappelijke context om zo werkzaam te zijn. De precieze toedracht ervan laat Hoghe graag in het midden, al is het maar omdat we hokjes kunnen missen. Als een ongeschreven essay zal de week voor zich moeten spreken.

De zinsnede van Pasolini gebruikte Raimund Hoghe eerder in een tekst over het ontstaan van zijn bochel. De strijd die hij er als kind tegen leverde krijgt in zijn werk een heel andere inzet, al is niet altijd duidelijk welke rol zijn lichaam nu bekleedt in zijn voorstellingen. In ‘Another Dream’ neemt Hoghe bijvoorbeeld de maten van zijn lichaam en verwijst zo impliciet naar ‘het lichaamsideaal van de Nazi’s, die de lengte van de ledematen opnamen en zelfs de vorm van het hoofd.’ Aan het einde van het stuk toont Hoghe zijn naakte gebochelde rug terwijl hij met de armen een zwembeweging maakt. Daarmee verwijst hij naar het begin van ‘Meinwärts’, maar waardeert de geste verder om formele redenen: ‘De vorm en de abstractie van die beweging komen het best uit als mijn bovenlichaam naakt is. Verder doe je je kleren sowieso uit om te zwemmen, het ziet er zelfs belachelijk uit met kleren aan.’

Er is reeds meermaals beweerd dat Hoghes werk leeft bij een persoonlijke mythologie die draait om zijn bijzondere lichamelijkheid. Als verschijning die schokt, waarmee hij kan spelen met de grenzen tussen schoon en lelijk. Hoghes werk is gelaagd, heeft niets van doen met therapie, draait misschien slechts zijdelings om het lichaam, al is dat laatste door Hoghes misvorming altijd nadrukkelijk aanwezig in zijn voorstellingen. Hoghes bochel drijft de blik van de kijker steeds een moment voorbij het willen, maar daarmee is er nog geen sprake van eenduidigheid omtrent de plaats van zijn lichaam. In Ballett International zegt Hoghe kranten te lezen en simpelweg vast te stellen dat het lichaam de kern vormt van heel wat actuele problemen en daarom sowieso een politieke inzet heeft. Dat wil hij erkennen, en verder voegt hij er met enige ironie aan toe dat hij met zijn bochel ‘heel andere verhalen kan vertellen dan andere mensen. Ik kan op een volledig andere manier met kitsch omgaan dan een getraind lichaam. Mijn lichaam heeft zelfs minder beperkingen dan andere. Ik pas in elke gewenste context. Op een homo-festival, op een festival voor Joodse dans, in een context van politiek theater, in theater voor gehandicapten, of op een mime festival. Dat is werkelijk leuk.’

Hokjes kunnen we dus missen, en alleen daarom al moet het lichaam in de strijd geworpen, omdat het zich ertegen verzet. Het is daarom interessant dat Hoghe die vraag naar het lichaam wil beantwoorden door naast de lezing-performance ‘Körper in den Kampf werfen’ en ‘Lettere Amorose’ werk van een aantal bevriende kunstenaars te presenteren. Vreemd genoeg heeft dat werk op het eerste zicht weinig of niets met lichamelijkheid te maken, al kadert het wel verscheidene aspecten van Hoghes werk.

Maskers

In ‘Untitle me’ van Lilia Mestre en Davis Freeman is een spel met lichaam en identiteit nog het meest aan de orde. Door middel van diaprojecties op het lichaam en videobeelden pakken beide kunstenaars de grenzen tussen realiteit, fictie en verlangen aan. Zo gaat een naakte vrouw banden aan met de ruimte, maatschappelijke kwesties en het publiek, via een bemiddelde dialoog met zichzelf. De idee dat met maskers nieuwe persoonlijkheden gecreëerd kunnen worden, duikt overigens ook op in een subtiel detail aan het einde van Hoghes ‘Another Dream’. Als het publiek na het applaus de zaal verlaat en geen acht meer slaat op het podium, klinkt de song ‘Quiet please, there is a lady on stage’.

De Britse performer Robert Pacitti vat het masker in eerste instantie letterlijk op, door zichzelf te verstikken met bladgoud. In ‘This is not a love song’ brengt hij een reeks schetsen omtrent verdrinking, als een stroom van beelden. Daarin klinkt door hun specifieke iconografie ook de kunstgeschiedenis mee. Tot de ingrediënten behoren verder een aquarium vol maden en een dood lam – met het witte lam als een symbool voor reinheid in de Engelse koninklijke geschiedenis. Merk op dat de Britten zich reeds eerder verslikten in Pacitti’s werk, in 1994 werd de man als eerste Britse kunstenaar veroordeeld wegens obsceniteiten.

Sarah Chase vertelt in ‘A small room’ telkens voor een enkele toeschouwer verhalen. Haar familieverleden dat ze gedurende enkele eeuwen wist te reconstrueren is daarbij onderwerp van gesprek. Er duiken zoveel verbanden op tussen verschillende gebeurtenissen dat Chase uiteindelijk door middel van verhalen als het ware een dans met het verleden uitvoert. Bovendien haalt ze door de brede vertakking van haar familieverleden de geschiedenis binnen in de grootste intimiteit.

De schitterende danssolo ‘Vanity’ van Vincent Dunoyer was afgelopen weken reeds meermaals bij ons te zien en belicht een ander belangrijk aspect van Hoghes oeuvre: het samengaan van afwezigheid en herinnering. Dunoyer gooit het echter volledig over de formele boeg, om te komen tot een uitermate conceptueel werkstuk waarin de complexe tijdelijkheid die uit de perceptie van het gebeuren volgt de dans invult.

Tenslotte is Fransman Jérôme Bel te gast, met voorsprong de meest conceptuele choreograaf die het landschap rijk is. Hij herneemt zijn debuut ‘Nom donné par l’auteur’ (1994), waarin hij een hele rist huishoudobjecten ‘choreografeert’, zoals Bel het noemt. Na enkele jaren de dans gelaten te hebben voor wat ze was, ging Bel op zoek naar een nulgraad van het medium – na lectuur van Roland Barthes en een hoop andere Franse filosofen. Zelf wordt hij in zijn debuut onzichtbaar, omdat enkel de objecten betekenisvol zijn. Door hun naam laten ze zich verbinden met elkaar, laten ze zich denken, zoals een lichaam dat doet wanneer het zich in een context laat inschrijven en er een plaats opeist.