Klassieke, hybride en tragische lichamen

De Morgen 5 Aug 2003Dutch

item doc

Contextual note
Dit is de auteursversie van het artikel dat in De Morgen verscheen onder de titel 'Een jong lichaam met de kop van een oude vent erop'.

Een poster is altijd veelzeggend: van drie naakte jonge vrouwen in diverse posities zie je slechts de rug, waarboven telkens het verkreukelde gelaat van een oude man prijkt. Het oog wordt aangetrokken door een jeugdig naakt lichaam, dat op zijn beurt terugkijkt als een vieze oude man. De affiche heeft obscene trekjes: wil het Weense dansfestival ImPulsTanz misschien een kritische blik op het lichaam bieden?

Elke zomer presenteert het grootste dansfestival van Europa vijf weken lang een staalkaart van grote namen. Geen belangwekkende premières of scherpe artistieke keuzes staan voorop, wel een immens overzicht van uiteenlopende genres en stijlen. Daarnaast zijn er tientallen workshops en een studiebeurzenprogramma, alsook ‘[8:tension]’, een reeks waarin acht jonge makers aan bod komen.

Als er één lijn opvalt, dan is het toch een sterke focus op het lichaam, wellicht omdat op dat punt oude en nieuwe tendensen samenkomen. Zonder noemenswaardige traditie in moderne dans, spelen klassiek ballet en expressionisme nog altijd een dominante rol in Wenen. Daaraan kleeft ook een conservatieve blik op het dansende lichaam: dat moet mooi, jeugdig en virtuoos zijn. Toch groeit het belang van discours en performance er intussen, blijkt het lichaam ook een meer problematische kant te hebben: de woekering van AIDS en Sars, de oprukkende biotechnologie, enzovoort. Is choreografie dan niet bij uitstek een kunstvorm die aan het lichaam een kritische rol kan toekennen? ImPulsTanz mikt op beide tendensen en hun publieken, zijn poster lijkt die dubbelzinnigheid goed te vatten.

Tegen deze achtergrond laat het werk van de Weense choreografe Milli Bitterli zich bekijken. In ‘Silence Sucks’ zweeft een danseres verticaal in de lucht en maakt een reeks armbewegingen die naar ballet verwijzen. Dat verheven beeld wordt nadien letterlijk naar beneden gehaald in een sterk fysieke groepschoreografie die zich grotendeels op de grond afspeelt. Bitterli speelt met tegenstellingen: strakke vormen en versnippering, horizontaal en verticaal, samenwerking en chaos. Het totaalbeeld kantelt voortdurend om slechts in enkele momenten van schijnbare stilte te stokken: eerst dan zijn de sporen van discipline en uitputting plotseling goed leesbaar in de lichamen op de vloer. Klassieke bronnen gekoppeld aan een kritische lichaamsrepresentatie.

Het solowerk van die andere Weense, Saskia Hölbling, is minder succesvol. Ze wil in de solo ‘exposition corps’ een lichaam tonen dat zich volgens een innerlijke, autonome logica gedraagt. Slechts gekleed in ondergoed, wringt ze zich op ene klein plateau in allerhande onmogelijke bochten, erg traag, alsof ze stolt in een reeks sculpturen. Hölbling lijkt zich er echter nauwelijks van bewust in welke mate haar lichaam op scène geconstrueerd is. Haar lichaam is getraind door allerhande danstechnieken en wordt atmosferisch belicht. Via de toeschouwersblik vermengt het zich ook onvermijdelijk met allerhande beelden, niet in de laatste plaats reclamebeelden opgeroepen door haar gespierde lijf en witte slipje.

Als een lichaam onvermijdelijk hybride vormen aanneemt, dan is het precies die verwarring waar de Ijslands/Brusselse choreografe Erna Ómarsdóttir zich op richt in ‘IBM 1401 – a user’s manual’. De scène ziet er aanvankelijk ook uit als een cluster: ergens tussen luidsprekers en muziekinstallatie ligt een hoopt elektriciteitsdraden met daaronder een lichaam dat ademt en zingt. Als geluidsontwerper Jóhann Jóhannson de cyborg ontdoet van zijn bedrading, komt er een ontketend wezen tevoorschijn. Ómarsdóttir beweegt wild over de bühne, wordt gedreven door zinnelijkheid, probeert vervolgens haar leden onder controle te krijgen. De melancholische muziek maakt het geheel enkel bevreemdender: is deze vreemde tragiek dat ‘zuivere’ lichaam waar we zo graag van dromen?

De idee dat dans zou kunnen leiden tot een onthechte band met het lichaam blijft een hardnekkige fantasie. Het is een klassieke opvatting die ongetwijfeld reële verlangens weerspiegelt, zonder deze echter te analyseren. Maken we onszelf niet veel wijs omtrent dat lichaam? In ‘Manual Focus’ van de jonge Deense Mette Ingvartsen, die aan de Brusselse dansschool PARTS studeert, is het een vieze oude man die onze fantasieën beantwoordt. Ook haar lichamen zijn uitermate hydride, tussen man en vrouw, jong en oud, reëel en artificieel. Verder elimineert ze met licht, muziek en decor elk spektakel: uiteindelijk rest er een groteske fictie, die wellicht vooral in de toeschouwershoofden excessieve vormen aanneemt.

De grenzen van de klassieke theatrale middelen zijn in het geding in ‘A Number of Classics in the Age of Performance’ van het Frans-Duitse duo Alice Chauchat en Vera Knolle. Uitgangspunt is het begrip ‘performance’, niet enkel in kunst, antropologie en filosofie, maar eveneens in economie, informatica, met connotaties als reproductie, creativiteit en prestatie. Wat te denken van een wereld waarin alles als ‘performance’ wordt beschouwd? ‘Verandert dat ons leven in een rollenspel, of in een autoritair systeem, dat verlangt dat we ons voortdurend optimaliseren, maar ons ook met de angst opzadelt op een dag onbruikbaar te zijn,’ zo vragen Chauchat en Knolle zich af.

Ze brengen hun conceptuele onderzoek nauwgezet maar met veel humor op de planken. Afwisselend verkleed als bruiden en als Bond-girls, steken de twee een denkbeeldig Ikea-rek in elkaar terwijl Frank Sinatra zingt over ‘make-believe’. Of ze spelen badminton en reciteren uitspraken over performance. Tussendoor komen publiek en de festivaldirecteur aan het woord om hun prestaties te beoordelen. Uiteindelijk dansen ze zelfs op exotische muziek in een cirkel tot ze in trance zijn. Echte dans zowaar! Tot Britney Spears door de boxen schalt: ‘Oops, I did it again’. Hoe zat dat ook weer met die onschuld?