Formuleringen in het onvertrouwde

Anarchiv #3: Songs of Love and War van deufert+plischke, Alain Franco en Marcus Steinweg

Etcetera Jun 2011Dutch
Etcetera, jg. 29 nr. 125, juni 2011, pp. 24-25

item doc

Eind maart vierde de Duitse “kunstenaarstweeling” deufert+plischke tien jaar samenwerking met de creatie van Anarchiv #3: Songs of Love and War in Kampnagel (Hamburg). In hun Anarchiv-cyclus nodigen deufert+plischke andere kunstenaars uit om met hun archief aan de slag te gaan en in samenwerking aspecten van hun oeuvre te herformuleren. Ditmaal waren musicus Alain Franco en filosoof Marcus Steinweg aan de beurt en was Richard Wagners Ring des Nibelungen hun leidraad doorheen het “anarchief”.

“Please don’t talk!”, zo staat er te lezen bij het betreden van de ruimte, en verder: “Gelieve tijd te nemen! U zult niet alles kunnen zien en horen, er is geen overzicht: u bevindt zich in het anarchief.” In Anarchiv #3 is het theater een open ruimte zonder stoelen, met een centraal speelvlak en daaromheen tafels en wanden met documentatie allerhande, als een tentoonstelling waarin aspecten van het creatieproces en eerdere voorstellingen tastbaar zijn. Hier kun je rondwandelen, rondkijken en toekijken, Bloody Mary drinken om het eigen bloed te versterken, spelletjes spelen, het gebeuren documenteren door foto’s te nemen of commentaren te schrijven op fiches, of gewoon tijd verdoen: de spontane methodologie van het praten omzeilen, betekent hier ook dat de aandacht en het handelen expliciet bemiddeld zijn, dat ze verlopen via de talrijke materialen die de schijnbare chaos van het anarchief uitmaken. Het spelen van bordspellen (“Nibelungenspiel” etc.) waarvan tegelijkertijd de regels nog moeten geformuleerd worden, doet wat vrijblijvend aan, maar de boodschap is duidelijk: iedereen is welkom zijn eigen parcours te banen en ook sporen toe te voegen. “U kunt ook nog eens terugkomen om te kijken wat er van uw sporen geworden is.”


Zonder uitlaatklep

Centraal staat een vleugelpiano met daarachter een comfortabele stoel. Even verder doet de pianokruk dienst als tafeltje voor vier vuistdikke orkestpartituren: die van Richard Wagners Ring des Nibelungen. Uit zeventien uren opera selecteerde Alain Franco ruim een uur muziek, transcribeerde die motieven voor piano en smokkelde ook nog een flard Beethoven en Schönberg aan boord. Mythes en narrativiteit zijn een terugkerend element in het werk van deufert+plischke, maar een Duitse saga uit de Middeleeuwen is verrassend: welke toeschouwers zijn er vertrouwd met het Nibelungenlied, laat staan met Wagners literaire en muzikale bewerking ervan? En wat kan die vandaag nog betekenen? Aan de tafel “Gehörgänge” bevinden zich mp3-spelers met een vijftal korte lezingen van Alain Franco, aanzetten om zijn visie op Wagner en de muziekdramaturgie van Anarchiv #3 beter te begrijpen.

Wagner dreef de vertrouwde muzikale taal van het tonale systeem tot aan zijn uiterste grens door de natuurlijke boventoonstructuren uit te dagen met complexe orkestraties en harmonieën die niet langer “opgelost” worden, alsook door het opheffen van de tegenstelling tussen harmonie en melodie, waardoor het tijdsbesef verdwijnt en cadenza’s niet langer rustpunten creëren. De perfectie van een systeem en zijn failliet raken aan elkaar in Wagners muziek, die niet enkel het moderne leven reflecteert, maar tevens de beleving en psychologische weerslag ervan. Via het principe van de Leitmotive verbindt Wagner muzikale modules met karakters, waardoor die ook in elkaars wereld kunnen doordringen en een mentaal landschap ontstaat parallel aan het eigenlijke beeld op scène. Die structuur biedt ruimte aan herinneringen en spoken, waarbij Franco opmerkt dat er bij Wagner “geen evacuatie van informatie is, er gaat niets verloren, er wordt nooit stoom afgelaten via een ventiel. Naar Wagner luisteren is best een vermoeiende ervaring, precies omdat er geen afbouw van spanning is en het werk daardoor schier oneindig wordt.”

Hier laat zich al een parallel met Anarchiv #3 trekken, waarin de woekering aan inspiratiebronnen en materiaal gedurig wordt “geherformuleerd” door kunstenaars en toeschouwers, zodat in principe “alle” sporen van een individuele en gedeelde zoektocht naar betekenis tastbaar blijven binnen het creatieproces en de voorstellingen in het verlengde daarvan. Maar wat betekenen die woekering en dat herformuleren? Voor Franco gaat Wagners Ring des Nibelungen over de vraag naar de vormelijke en ideologische aspecten van narrativiteit als dusdanig. Wagner had revolutionaire sympathieën en was actief betrokken bij de opstand van Dresden in 1848, terwijl het oprukkende kapitalisme de maatschappelijke verhoudingen hertekende. Die moderne gelijktijdigheid van informatie en conflictueuze wereldbeelden vormde de basis voor een nieuw muzikaal systeem, net zoals Wagner in zijn magnum opus een poging ondernam om zich tot “alles” te verhouden, van mythes over familie tot de samenleving, “met als inzet de mogelijkheid van een andere vertelstructuur, namelijk een niet-natuurlijke synthese van de werkelijkheid. Na de Götterdämmerung rest er een toestand van versplintering en uitstraling van een herinnering die niet langer onschuldig is, maar doordrongen van een weten over hoe de dingen in elkaar zitten.”


Agora

Afgezien van de waarschuwing van het orakel Erda, een bezoek aan de schatkamer (voor de gelegenheid zilveren ballonnen met filosofische uitspraken over liefde) of een uitnodiging tot solidariteit met Brünnhilde wanneer ze uiteindelijk kiest voor de menselijke liefde en sterfelijkheid, is de motivische band met Wagners Ring eerder los in Anarchiv #3. Tegelijkertijd heeft de choreografie nog nooit zo dicht op de muziek gezeten in het werk van deufert+plischke. Samen met dansers Eva Bernhardt, Jasmin Ihraç en Britta Wirthmüller werd de hele muziekdramaturgie via een collectief proces van associatie en “herformuleren” omgezet in eigenzinnig bewegingsmateriaal, waarbij details en arbitraire gebaren worden doorgegeven, geconstrueerde verwantschappen opduiken en weer verdwijnen. Een uitgekiende choreografie van blikken onderlijnt de communicatie tussen de performers onderling en haalt gedurig de band met het publiek aan.

Niet enkel via de wederzijdse erkenning van het blikkenspel opent zich in Anarchiv #3 een publieke ruimte: deufert+plischke manen aan tot participatie. Via opdrachten op fiches word je uitgenodigd om deel te nemen aan een collectieve ballonnenchoreografie of een bordendans, en je als in een betoging letterlijk te positioneren met uitspraken genre “Konkordanz, Kommunion, Kommunikation – können tödlich wie die Liebe sein. (M. Steinweg)” of “Je suis en guerre avec moi-même. (J. Derrida)”.

 Stapsgewijs groeit het anarchief zo uit van een tentoonstelling en een voorstelling tot een agora, waarin performers en toeschouwers zich samen een weg banen doorheen de woekering in hun zoektocht naar betekenis, waarin speelse en vrijblijvende handelingen gewicht krijgen en iedereen verantwoordelijkheid begint te nemen voor zijn woorden en daden in die heterogene doch gedeelde ruimte. Het arbitraire en immer voorlopige karakter van het anarchief nodigt uit tot het actief formuleren van de spelregels binnen die wispelturige krijtlijnen en maakt nieuwe verbanden en betekenissen mogelijk. Anders dan bij Wagner wijkt in Anarchiv #3 absorptie voor een eigentijdse vorm van participatie, illusie voor bemiddeling en de zichtbaarheid van werkproces en muzikale uitvoering, het drama voor de gedurige onttakeling ervan. Ondanks de doorwrochte muziekdramaturgie en choreografie is Anarchiv #3 nauwelijks nog een voorstelling te noemen, het test de mogelijkheidsvoorwaarden om vandaag nog verhalen te vertellen en opent zo perspectieven voor het theater als een politieke ruimte. In zekere zin komt Anarchiv #3 in de buurt van een Gesamtkunstwerk voor de eenentwintigste eeuw, waarin elke poging tot synthese niet anders dan een formulering in het onvertrouwde kan zijn.