The Alwin Nikolais Dance Theatre

Kunst en Cultuur 5 Jun 1969Dutch

item doc

Je denkt eerst aan Oskar Schlemmer en het Bauhaus. Al die plastisch vervormde lichamen: het verlengen van armen met nieuwe, beenderige, elementen (Imago); de vervormingen van het menselijk lichaam door een kostuum (de lollies in Imago; de Ubu-meisjes in hetzelfde ballet; de gelaten/maskers die vergroeid zijn aan de benen in Tent) en het uitwerken van de ruimte door simpele constructieve elementen (zoals de tent in Tent die constant een nieuwe vorm aanneemt, een nieuwe soort materie lijkt te zijn). Vrij vlug moet je toegeven dat die gelijkenissen bedriegen, dat zich alles aan het afspelen is in een totaal andere wereld, een totaal andere levenssfeer. Het is de kleur van de comics, de taal van de publicitaire spots, de ongewilde-gewilde humor van de consumptiemaatschappij. Het is, zo je wil, Das Triadische Ballet in de USA. Een contradictio in terminis: de ludieke consumptiedrang, het dolste baroquisme, de overvloed gekoppeld aan het functionalisme, de ascese van het te gebruiken voorwerp. Een contradictie waar het hele nummer van Communications (Nr 13) - gewijd aan de voorwerpen - van doordrongen is. Hoe kan dat nu? Het kàn; en men merkt dagelijks in onze consumptiemaatschappij dat de innigste contestatie ervan, de meest subversieve vorm van ontkenning een soort bevestiging inhoudt. En omgekeerd ook: dat de bevestiging heel dikwijls de ondergraving van deze bevestiging in zich draagt. Het is een sfeer die mogelijk maakt dat niets meer ernstig genomen hoeft te worden: dat de meest sublieme passages uit Tent( en het is één aaneenschakeling van ongelooflijk mooie beeldenreeksen) tevens ook het toppunt van de kitsch kunnen zijn; dat de yankeehumor van Tent tevens zo triestig is. Let wel: dit heeft niets te maken met ons westerse cultus voor het ‘absurde’. Daarvoor zijn deze Amerikanen veel te vitaal.

Soms denk je ook: Nikolais is toch niet zo’n groot choreograaf, en dat zijn dansers (wat een plezier, die typisch Amerikaanse gerelaxeerde en precieze, vanzelfsprekende en echte manier van dansen!) er tenslotte gewoonweg zijn om de kostuums te dragen, en de kostuums er zijn om het licht gestalte te geven, en het licht gewoonweg de muziek ‘verklankt’. Alle onderdelen zijn namelijk van één en dezelfde auteur: Nikolais. Het is echter verkeerd één element los te maken van alle andere. Nikolais is beslist een man die vooral oog heeft voor beelden.

Zijn werken zijn één aaneenschakeling van beeldimpressies. Deze overvloeiende beeldenstroom kan men misschien nog het beste vergelijken met sommige Amerikaanse undergroundfilms die eveneens met uiterst simpele middelen een bijzondere rijkdom aan impressies weten te scheppen op je netvlies. Daardoor komt het ook dat Nikolais minder zuiver choreografisch is dan Paul Taylor, en meer spectaculair gericht is dan Merce Cunningham. Samen met Twila Tharp (misschien) en Alvin Ailey (mits voorbehoud) bewijst Nikolais andermaal dat de Amerikaanse choreografische avant-garde van een vitaliteit getuigt waar wij hier in het Westen slechts verbijsterd kunnen naar opkijken.