Veertigduizend kippen

Financieel-Economische Tijd 9 Feb 2000Dutch

item doc

El Ojo de la Faraona is een Spaans dansgezelschap dat bevolkt wordt door oudgedienden van Wim Vandekeybus. Na vier maanden repeteren in een afgelegen boerderij kwam met ‘Maybe Tomorrow’ hun eerste avondvullende voorstelling uit de bus. Een conceptuele leegte, het misschien van de toekomst, wordt opgevuld met persoonlijke verhalen van de dansers, verteld met het lichaam. Tussen de dromen door spreekt het realisme van een gebrekkige communicatie en een alledaagse onverschilligheid.

Wim Vandekeybus maakt school, tot in Spanje. Zoveel verraadt niet enkel de achtergrond van El Ojo de la Faraona, maar ook hun bewegingsmateriaal. Dansers die elkaar op de rug springen, of in alle hevigheid over de grond rollen. ‘Maybe Tomorrow’ bruist, de energie is een gelijkaardige als in producties van Ultima Vez. Toch vinden Carmelo Fernández en Orlando Ortega dat enkel de techniek sporen heeft achtergelaten. De integratie van theater en dans is anders, de opzet is niet theatraal van aard, zo zegt Fernandez: ‘De leegte en het toeval waren ons uitgangspunt. Dat wil zeggen een enorme vrijheid om iets nieuws op te zetten, niet geleid door afgebakende concepten.’

‘We hebben vier maanden gewerkt, voornamelijk gebruik makend van improvisatie. Daarbij stond iedereen voortdurend op de scène, voor de transparantie, om een theatrale opsplitsing van het stuk in scènes te vermijden. De improvisaties werden op verschillende manieren geleid, vertrekkend vanuit het niets, maar evenzeer vanuit objecten, een gedachte, een situatie. Bijvoorbeeld iemand die vertrekt, aankomt of staat te wachten. Na een tijd onstond er bewegingsmateriaal, en begonnen alle dansers het onbestemde nu-moment in te vullen met hun herinneringen, ervaringen en persoonlijke verhalen, vaak in solo’s. Op een haast kinderlijke wijze, in eenvoudige conversaties vroegen we ons af wat de toekomst brengt.’

Basketbal

Ook na het werkproces ontwikkelen formele inzichten en verhalen zich hand in hand voor Ortega: ‘Het resultaat bevat veel variatie, zoals een wat mysterieuze passage in het begin waarin de dansers los van elkaar aan de slag gaan. De opstelling is bijna hermetisch, iedereen is bezig met zijn eigen inwendigheid. Maar langzaamaan is er aandacht voor de anderen, voor concrete relaties, een zoektocht naar een groep. Er wordt heel wat gezegd in het stuk, door middel van dans en lichaamsexpressie. De bewegingen en aanrakingen zijn heel natuurlijk, en dragen daarmee ook iets alledaags in zich. ‘Maybe Tomorrow’ gaat uiteindelijk vooral over relaties tussen vijf dansers, over groepsrelaties, over relaties tussen mensen zonder meer.’

Misschien is een theatraal aspect daardoor toch belangrijker dan aanvankelijk gedacht, want de communicatie behelst meer dan een abstracte relatie tussen dansers in een lege ruimte. Er is bijvoorbeeld een scène waarin twee mensen willen praten en een derde er ongestoord met een basketbal tussendoor loopt. ‘Dat is best grappig’ volgens Fernandez, ‘maar in de manier waarop hij zich onverschillig toont tegenover de conversatie zit ook iets alledaags, iets realistisch, al hoeft dat geen wreedheid te zijn. Het kan zich even goed op straat afspelen.’ In die speelse mix van abstracte dans en alledaagse ervaringen speelt vooral het lichaam. Fernandez: ‘In de tederheid van aanrakingen, de fragiliteit van de communicatie, jaloezie en manipulatie is het lichaam nadrukkelijk aanwezig. Het lichaam denkt en spreekt, maar niet letterlijk. Zelfs viscerale drijfveren structureren zo het stuk.’

Straatgeluiden

Gesprekken ruimen baan voor gefluister en de stem. Het dansende lichaam wil ondanks de grote herkenbaarheid van sommige beelden een letterlijke lezing van het theater uit de weg gaan. Fernandez: ‘Dans werkt niet met een dramatisch verloop of een narratieve lijn, maar eerder volgens een collageprincipe of een stroom van intensiteiten. Er is dus geen sprake van een uitgewerkte karaktertekening of ontwikkeling van personages. Het blijven gewoon dansers die hun ding doen, flarden en ideeën brengen, slechts af en toe een theatrale scène. In allerhande onverwachte wendingen laat de openheid en vrijheid van het dansmedium zich zien. Daarin valt ook een rationele houding of conceptuele opbouw weg. Logica is het laatste waar we naar toe willen, slechts het toeval en het lichaam drijven de coherentie.’

En zo zit het ongedwongen karakter niet enkel in de improvisatie tijdens het werkproces, maar eveneens in het resultaat. Tenslotte brengt ook de muziek als het ware begin en einde samen, zijn de verhalen van het maakproces en het spel op scène met elkaar verweven. Het stuk kwam tot stand in een studio, geïnstalleerd op een afgelegen boerderij, met in de omtrek enkel kilometers bananenvelden, weinig mensen en veel dieren, waar de dansers de gekste verhalen aan overhielden. In ‘Maybe Tomorrow’ is het nog de klankband van Charo Calvo die ervan getuigt, tussen de muziek van Zita Swoon door. Ortega: ‘De geluiden rondom leverden de sfeer waarin we werkten. We dansten bijvoorbeeld bij het lawaai van een fabriek met veertigduizend legkippen. Calvo heeft heel wat concrete geluiden uit die omgeving geregistreerd voor de soundtrack, en brengt zo de ambiance over op het podium. Als je kippen hoort, heeft dat dus meer met de context van het stuk te maken dan met romantiek. Naast het gekakel en de straatgeluiden is er ook veel geblaf van honden te horen, gewoon omdat die beesten de hele dag door blaften. Misschien gaat het stuk ook wel over de natuur en over dieren.’