Twee dansboegbeelden in deSingel

De Standaard 17 Sep 1997Dutch

item doc

Als opener van het dansseizoen nodigde deSingel in Antwerpen twee grote namen van de Amerikaanse postmoderne dans uit. Trisha Brown en Steve Paxton prsenteren kort na elkaar werk dat geïnspireerd is op de muziek van Bach. Een dubbelportret.

Veelbelovend was de eerste ontmoeting tussen Trisha Brown en Steve Paxton niet. In een gesprek herinnert Brown zich hoe ze in het prille begin van de jaren zestig, na haar ervaringen met de improvisatielessen van Ann Halprin in San Francisco, een reeks improvisaties ten beste gaf in New York, samen met Simone Forti. Elke avond nodigden ze een gastdanser uit, en een van de laatsten was Paxton, toen nog verbonden aan het gezelschap van Merce Cunningham. "Hij wist niet wat we aan het doen waren; hij misdroeg zich, wandelde rond en kneep of zoiets."

Het misverstand werd snel opgeklaard: de twee bleken elkaar uitstekend te vinden in improvisaties als Part of a target in 1963, gebaseerd op een improvisatiestructuur met de naam violent contact. Toch gingen ze uiteindelijk elk hun eigen weg, al waren er, bijvoorbeeld tijdens de legendarische optredens van het ensemble Grand Union nog wel samenwerkingen.

Brown richtte een gezelschap op en ontwikkelde een uitgesproken belangstelling voor choreografische structuren. Paxton bleef zich bezighouden met improvisatie en ontwikkelde een techniek, contact improvisation, die een wereldwijde schare enthousiaste beoefenaars kent. Een gemeenschappelijke trek is nog steeds beider grote aandacht voor de werking van het lichaam en de effecten van zwaartekracht en snelheid op de dans.

DeSingel nodigt beiden kort na elkaar uit voor een reeks voorstellingen, waarin u de verschillen en gelijkenissen tussen deze boegbeelden van de postmoderne dans kan ervaren. Het toeval wil dat beiden hier staan met werk dat geïnspireerd is op Bach.

Voor Paxton heeft het werk met de Engelse Suites, gespeeld door Glenn Gould, een bijzonder lange voorgeschiedenis. Jarenlang reisde Paxton de wereld rond met zijn improvisatie op de Goldberg Variaties van Bach, uitgevoerd door dezelfde Gould. Het is een van de allermooiste dansvoorstellingen die ik ooit zag. De correspondentie tussen de dans en de muziek is er niet een die zich situeert op het niveau van de zuivere structuur. De dans lijkt veeleer een ogenblikkelijke emotionele reactie te zijn op wat de muziek op een bepaald ogenblik, in een bepaalde ruimte, betekent voor Paxton. Het merkwaardige is de totale "transparantie" van dit gebeuren. Al is de dans meer dan eens chaotisch, in tegenstelling tot de muziek, en strookt ze totaal niet met de plechtigheid van de barok, je krijgt de uiterst merkwaardige sensatie dat de danser zich zozeer opengesteld heeft voor de muziek dat hij in zijn bewegingen de fundamentele stemming ervan weet te raken en te openbaren. Minstens zo merkwaardig is dat je de techniciteit van deze dans nooit opmerkt. Al is wat Paxton schijnbaar moeiteloos, en vanuit een plotse ingeving doet, in werkelijkheid vaak een zeer complexe beweging.

Op dit ogenblik werkt Paxton niet meer met deze muziek. In een interview vertelt hij hoe hij na afloop constateerde hoezeer die muziek "in zijn botten" gekropen was, en hem als het ware zonder ideeën achterliet. Op zoek naar nieuwe vormelijke uitgangspunten voor improvisaties greep hij daarom nog eens terug naar Bach, deze keer naar de Engelse Suites. Een project dat ondertussen ook al enkele jaren loopt. Tot slot maakt hij voor de Rode Zaal nog een volledig nieuw werk - een unieke belevenis voor iemand die slechts zelden nieuwe thema's of creaties lanceert. Zijn fascinatie voor de werking van ruimtes, die in vroegere solo's en groepsprojecten vaak een grote rol speelde, zal hier wellicht meer uitgesproken aan bod komen.

De evolutie in het werk van Trisha Brown laat zich veel gemakkelijker omschrijven als een reeks cycli. Na een zuiver experimentele periode in de jaren zestig begon ze vanaf de jaren zeventig haar gezelschap uit te bouwen en ontstonden na elkaar enkele reeksen werken met een gemeenschappelijke thematiek. Na Equipment Pieces en Accumulations richtte ze zich op het klassieke podium, met een eerste reeks werken die naderhand de naam Unstable Structures meekreeg. De lichamen van de dansers schijnen hier op een haast magische manier te vervloeien in gewichtloze bewegingen, ondersteund door vaak zeer dromerige, vernuftige ensceneringen en lichtregies. Set and Reset is zonder twijfel een van de meest bekende werken uit deze periode en was al enkele malen in deSingel te zien. Muziek en dans evolueren hier los van elkaar. Later, met werken als Newark, ontstonden meer rigoureuze choreografische structuren. In plaats van vloeiende, eindeloos doorgaande bewegingen, zag je hier duidelijke interrupties, momenten van bevriezing in de dans. Nadien narn met stukken als For MG: the movie of Another Story as in Falling de complexiteit van de structuren hand over hand toe, Another Story... gebruikt een bijzonder lange choreografische zin als uitgangspunt voor een improvisatie volgens bepaalde regels. Daaruit resulteert elke avond een ander werk, hoewel de ingrediënten steeds dezelfde zijn. Merkwaardig is ook hoe Brown in de loop der jaren emotionele motieven, uitdrukkingen van karakter en stemming toegelaten heeft in haar oorspronkelijk zuiver abstracte artistieke credo. Hoewel haar werk nooit narratief of anekdotisch wordt, merkte zij in de loop der jaren hoe bewegingen, ongeacht de oorspronkelijke intenties van de maker, onwillekeurig emotie en betekenis genereren en dat de choreografie daarmee kan werken.

De jongste jaren heeft haar werk een andere wending genomen. Muziek en dans evolueren nu niet meer los van elkaar. Ter voorbereiding van haar regie van Orfeo van Monteverdi volgend jaar in De Munt ging Brown onderzoeken hoe ze kon choreograferen op gegeven muzikale structuren. Een eerste poging in die richting was de virtuoze transcriptie in een choreografie van Bachs Musikalisches Opfer. Hier passen muziek en dans bij elkaar als hand in glove, naar haar eigen woorden. Voor een tweede werk richtte ze zich tot de muziek van Webern, muziek die veel dichter bij haar eigen artistieke uitgangspunten ligt en waar dus een veel vrijere verhouding tussen choreografie en muziek mogelijk was. Het resultaat hiervan is Twelve Ton Rose. Tot slot geeft ze nog een kleine, verrukkelijke recente solo ten beste. De titel, If You Couldn't See Me verwijst met een knipoog naar het feit dat de solo met de rug naar het publiek gedanst wordt. Wie de recente evolutie van Trisha Browns werk wil volgen, heeft met deze avond in deSingel een unieke kans om een bijna volledige cyclus in een klap te zien.

Antwerpen, deSingel, Desguinlei 25, 18, 19 en 20 september om 20 uur (Trisha Brown Company) en 22, 23, 24, 25 en 26 september om 20 uur (Steve Paxton) 03-248.38.00.