Sporen van beweging

Financieel-Economische Tijd 28 Jun 2000Dutch

item doc

De Beweeging presenteert met zijn zevende projectreeks een dansante wandeling waarbij de stad Antwerpen de partituur is. Zoals het onderzoek van wetenschappers Walter Siegfried en Paul Blondeel leert, bepaalt de stad in hoge mate de bewegingen van haar bewoners, die er op hun beurt bewegingssporen achterlaten en de ruimte betekenis geven. Vanuit deze gedachten gaan choreografen Salva Sanchis en Felix Ruckert aan het werk om via interventies en performances een licht te werpen op stedelijkheid en het publieke, op ruimte en identiteit.

De Antwerpse danswerkplaats De Beweeging toont sedert enkele jaren werk van choreografen en performancekunstenaars in thematische blokken, samengesteld door gastcuratoren. Deze ‘magazinewerking’ brengt nu wetenschappers en choreografen samen om een project op te zetten rond de stad: ‘De stad als partituur – City Dances’. Het basismateriaal voor het concept werd geleverd door het onderzoek van de Zwitserse psycholoog Walter Siegfried en de Belgische socioloog Paul Blondeel, en krijgt concreet vorm in een kleine tentoonstelling, als vertrekpunt van de wandelroute.

De bevindingen van Siegfried betreffen vooral de ruimtelijke organisatie van de stad. Meer bepaald hoe allerhande objecten, zoals verkeersborden, vuilnisbakken, stoepranden en relingen, maar ook verkeer en omgevingsgeluiden, de voetganger haast dwingen tot een bepaalde route, een stereotiep bewegingspatroon. Zoals tv-kijken onvermijdelijk met een zak chips gepaard gaat, volgen ook uit elke situatie in de stad impliciete regels die onafwendbaar zijn. Gebruikers van de stedelijke ruimte overschrijven voor een goed deel wat de ruimte voorschrijft, vaak onbewust. Veeleer dan van mimesis spreekt Siegfried van een dans, een flexibele omgang met een betekenisvolle constructie.

Paul Blondeel beschrijft naar aanleiding van zijn onderzoek in de Brusselse kanaalzone een omgekeerd proces: de manier waarop ruimte, en in het bijzonder de stad, door menselijke gedragingen betekenis krijgt. Daarbij heeft hij oog voor de sociale betekenisstructuur, die aansluit bij ruimtelijke breuken en raakvlakken – geen oninteressant perspectief voor een wandeling die de Antwerpse Meir verbindt met hartje Borgerhout. Precies door het stedelijke weefsel te lezen ontstaat een basis voor wijkontwikkeling: zo kan immers aangeduid worden waar de ruimte faalt als bemiddelaar in sociale, culturele en maatschappelijke verschillen.

Deze ideeën indachtig creëren choreografen Salva Sanchis en Felix Ruckert performances op het wandelparcours. De Duitser Ruckert organiseert samen met Siegfried en Blondeel ‘Blind Dates’, waarbij je samen met een onbekende opdrachten en handelingen moet uitvoeren die dagdagelijkse praktijken onder de aandacht plaatsen. Het idee om de ‘toeschouwer’ zelf te laten performen is overigens een constante in het werk van Ruckert. Neem bijvoorbeeld ‘Ring’, waarbij een buitenste cirkel toeschouwers kijkt naar een ingesloten cirkel waarin toeschouwers interageren met dansers, gaande van praten over gesticuleren tot heuse contactimprovisaties. De verhoudingen tussen intimiteit en een openbaar perspectief zijn ook het uitgangspunt voor een performance op Beweeging 7, bij uitstek een stedelijke problematiek.

Conflict

Nauwelijks een maand geleden ging ‘GAP’ in première, een schitterende danssolo van de Catalaanse Brusselaar Salva Sanchis, ex-PARTS-student, of de man komt reeds met twee nieuwe projecten op de proppen voor Beweeging 7. Het eerste is een video-installatie met acht monitors waarop acht verschillende scènes te zien zijn, op evenveel locaties in Antwerpen opgenomen, met telkens één persoon die een handeling uitvoert. ‘Ik heb gezocht naar architectuur waarin bepaalde functies niet voltooid zijn, een ruimtelijk mankement vertonen, door een structureel probleem, een duidelijkheidsprobleem en zo meer,’ vertelt Sanchis. ‘Neem bijvoorbeeld metrostation Opera, daar zijn talrijke bordjes met pijlen. Er zijn twee pijlen die dezelfde straat aangeven, maar met tegengestelde richtingaanwijzing. Je kunt de straat dus op twee manieren bereiken. Ik isoleerde echter het gegeven waardoor het bijzonder contradictorisch overkomt. Er komt iemand binnen die de tekens letterlijk volgt, die de regels kent maar ze niet flexibel weet te gebruiken: die persoon blokkeert op datzelfde moment. Op die manier vertaalt het lichaam van de performer het probleem dat in de ruimte aanwezig is.’

‘Elke scène heeft een andere benadering. Bijvoorbeeld een tram die arriveert aan de halte terwijl er iemand komt aangelopen naast de tram. De tram stopt, de man stopt naast de tram maar stapt niet op en loopt verder terwijl ook de tram weer vertrekt. Dat is eerder een reflectie over snelheid en richting, hoe verschillende dingen in de stad elkaar kunnen beïnvloeden. Ik heb getracht situaties en ruimtes te zoeken die ons altijd affecteren, maar waar je niet altijd van toelaat dat ons lichaam dat conflict uitdrukt. Als er een auto passeert ga je onbewust ook bewegen. Het zijn dingen die je voelt. Dat vergroot ik uit op video. Zo zie je hele gekke gedragingen, maar die zijn zo gebracht dat je niet de mensen als gek beschouwt, maar eerder hun begrip van de ruimte. Ik gebruikte overigens dansers voor de video, omdat ze goed fysische relaties met de ruimte kunnen aangaan en zichtbaar maken, gewoon door de kennis van hun eigen lichaam.’

Naast de video-installatie die heel direct inspeelt op het thema dat de wetenschappers aandroegen, brengt Sanchis een performance op locatie in een oude garage. Hij werkt er samen met beeldend kunstenaar Kristof Van Gestel, die momenteel laatstejaarsstudent mixed media is aan de Academie van Gent, en bekend van een performance voor het SMAK waarbij hij twee uur lang met een plank poseerde. Sanchis: ‘Ik ben geïnteresseerd in de installaties van Kristof omdat hij er altijd zijn eigen lichaam in gebruikt. Hij staat ernaast of erin, dan weer zijn de afmetingen van een werk bepaald door zijn lichaam.’

De objecten die gebruikt worden in de performance zijn gekozen vanuit eenzelfde band met het lichaam. Als vanzelfsprekend kledingstukken en schoenen, maar ook een houten kist die een soort bewegingsstructuur weergeeft van Van Gestel in staande en in zittende toestand. ‘Ook door middel van erosie geven we sporen van beweging weer in tasbare materialen,’ legt Sanchis uit. ‘We versnellen zo’n proces door in hout te kerven, zolang tot Kristof zijn lichaam erin past. We gebruiken patronen die er al aanwezig zijn, en we laten ook zelf sporen achter, het werkt in twee richtingen. De ruimte heeft een geheugen voor beweging waarbij verleden en toekomst verbonden worden.’

Kleverig

Bovenop de essays van Siegfried en Blondeel gebruikt Sanchis een boek over obsessieve en dwangmatige gedragingen als bron, ‘The boy who couldn’t stop watching’: ‘Het spreekt bijvoorbeeld over een jongen met smetvrees die zich blijft wassen tot zijn huid ervan bloedt. Er is ook een geval van iemand die niet door deuropeningen durft, hij kan niet verder als hij ze ziet. Die mensen creëren een ritueel om zich uit zo’n situaties te bevrijden. Als ze in 74 stapjes doorheen de deur kunnen wandelen lukt het wel, anders niet. Ze zijn niet schizofreen, psychotisch of paranoïde. Ze hebben ook een normaal sociaal leven, maar worden telkens met hun obsessies geconfronteerd. Het geval van de deuren is inspirerend omdat die man een buitengewone gevoeligheid heeft voor de ruimte. Hij is zo gevoelig voor horizontale en verticale vormen dat hij er psychosomatisch door geblokkeerd wordt. Het is zoals kinderen die hinkelen of stoeptegels tellen, maar dan tot het uiterste doorgedreven.’

In de beschreven gevallen heeft de interactie met de ruimte een verregaande invloed op de identiteit. Sanchis verwijst naar Jean-Paul Sartres notie ‘le visqueux’ – in alle opzichten een van de smeuïgste passages uit diens ‘L’être et le néant’ – om dat te duiden: ‘Het slijmerige is een bedreiging voor het subject, omdat het de grenzen van het lichaam aantast, er ontstaat een onduidelijkheid tussen wat tot het lichaam behoort en wat niet meer. Stel dat je hand vol druipende honing zit, kan dat een soort gevoel geven alsof je lichaam en ego desintegreren. De grenzen van het lichaam, de confrontaties met wat zich erbuiten bevindt, de ruimte en objecten, de afstand tussen mensen en zo meer, zijn een centraal gegeven in onze performance.’

Het creëren van nieuwe grenzen voor het lichaam door allerhande objecten en installaties is echter niet louter een ritueel dat identiteit wil stichten voor Sanchis: ‘De kleverigheid leidde tot een reeks associaties. Onder meer met tape, waarmee we lichaamsdelen omzwachtelen, maar dan met de kleefzijde naar buiten. Zo worden we tegen elkaar gekleefd, of tegen de muren. Dit is niet echt meer Sartre, maar het spreekt nog steeds over de grenzen van lichaam en ruimte. Hoe kunnen we ons aanpassen aan de ruimte, of worden we er letterlijk in vastgelijmd? Ik beweeg ergens met een houten doos rond mijn lichaam, waarna ik mezelf in de ruimte tracht in te passen. In eerste instantie lijkt het eenvoudig, omdat de doos vierkant is, en er veel hoeken en vlakke stukken in de ruimte zijn. Tegelijk is mijn beweging erg lomp als ik dat harnas aan heb, zodat ik me niet meer op een vloeiende manier tot de ruimte kan verhouden. We spelen voortdurend met zulke contradicties, ingegeven door de relatie tussen ons lichaam en de ruimte.’